Kweepeer Ė Cydonia oblonga

De geslachtsnaam is afgeleid van een stad op Kreta genaamd Kydon, waar de oude Grieken een betere variŽteit van de Kweepeer ontdekten in de oudheid, de Grieken noemden de vrucht 'Kydomalon' oftewel 'Appel van Kydon'. De soortnaam 'oblonga' betekent langwerpig, een verwijzing naar de vorm van de vrucht.

De Gouden Appels op de reliŽfs van de Zeustempel te Olympia (450 v. Chr.) lijken sterk op de Kweepeer, de Grieken kenden deze boom al zeker in de 7de eeuw voor onze jaartelling, maar waarschijnlijk wordt ze al veel langer gecultiveerd, oorspronkelijk is zij afkomstig uit PerziŽ en Anatolie en misschien ook uit Griekenland en de Krim. De boom werd veelvuldig gecultiveerd in het oosten en vooral in Palestina, en veel commentatoren nemen in overweging dat de appel die in het Hooglied (2:3) wordt genoemd, in het Hebreeuws 'tappuach' wel eens een Kweepeer zou kunnen zijn: "Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet." Lange tijd werden de vruchten die meer in trek waren om hun geur dan om hun voedingswaarde aan de Griekse Goden geofferd. Zowel bij de Grieken als de Romeinen was de Kweepeer gewijd aan Aphrodite/Venus, deze wordt dan ook vaak afgebeeld met een Kweepeer in haar rechterhand. Ook de appel die Eris de Godin van de Tweedracht tussen de Godinnen gooide met de tekst erop 'voor de mooiste' zou eigenlijk een Kweepeer zijn. Ook de Gouden Appels van Vergillius zouden eigenlijk Kweeperen zijn.






Onder het volk gold het schenken van een Kweepeer als een teken van Liefde; een verordening van Solon gaf de plant in de 6de eeuw v. Chr. zelfs een officiŽle rol in de huwelijksceremonie, een jonge Griekse bruid moest op de drempel van de bruidskamer een Kweepeer eten, zoveel pitten als we in de vrucht zaten, zoveel kinderen zou het paar krijgen.
Dit gebruik werd doorgegeven naar latere tijden, gedurende de middeleeuwen werden er Kweeperen geserveerd tijdens bruiloften. Plinius sprak uitgebreid over de deugden van de Kweepeer, o.a. dat de vrucht het boze oog afweerde. Op afbeeldingen en mozaÔeken in PompeÔ, staat de Kweepeer vaak afgebeeld in de klauwen van een beer. De beroemde Byzantijnse arts uit de 11de eeuw, Simon Seth roemde de werking tegen dronkenschap, hij raadde aan om tijdens het wijn drinken Kweepeer te eten, 'zodat de damp van de wijn niet naar het hoofd steeg'.


In de oude Engelse literatuur heeft de vrucht de naam 'Coyne', net als in de Engelse vertaling van de 'Roman de la Rose' en in de Engelse woordenboeken van de 14de en de 15de eeuw, een naam afgeleid van het Franse 'coin'. In Engeland zou de vrucht in de 13de eeuw zijn geÔntroduceerd, en werd veel geteeld in de 16de tot de 18de eeuw, daarna werden zachte fruitsoorten populairder. Nostradamus de 16de-eeuwse ziener, astroloog en arts uit de ProvenÁe, zweerde bij Kweepeergelei bij potentieproblemen bij mannen en frigiditeit bij vrouwen, hij zag deze kwalen als een gevolg van te weinig doorbloeding in het onderlichaam, Kweepeer kon dit kwaad volgens hem verhelpen. Sinds Hippokrates tot in de 17de eeuw toe, ging de Kweepeer door voor een van de gezondste en nuttigste vruchten die men kende, en zijn samentrekkende werking bezorgde hem een ereplaats in de oude geneeskunde. Lange tijd heeft men gedacht dat de Kweepeer ook als tegengif kon dienen.Tegenwoordig wordt de vrucht ook veel in Zuid-Amerika geteeld, vooral in ArgentiniŽ.